De huisarts verwijst je naar het ziekenhuis als meer onderzoek voor jouw klachten nodig is. De longarts onderzoekt waar jouw klachten vandaan komen. De longarts onderzoekt of je longkanker hebt, om welke soort het gaat en in welk stadium de ziekte is.
Beeldvormende onderzoeken (zoals foto's en scans)
- Röntgenfoto, Dit wordt ook wel longfoto genoemd. Dit is een 2D beeld zonder contrastmiddel waarop de longen worden afgebeeld. Ook kunnen de contouren van het hart en de grote vaten worden beoordeeld. Het wordt vaak gebruikt om op een snelle manier te screenen of er een afwijking in het longweefsel te zien, of om te controleren of een eerdere afwijking verdwenen is.
CT-scan. Een 3D-scan waar een radioloog in dunne plakjes (coupes) van boven naar beneden door de het lichaam kan scrollen. Meestal worden de borstkas en de bovenbuik in beeld gebracht. Daardoor kunnen de longen, de lymfeklieren, het hart en de grote bloedvaten, maar ook de lever en de bijnieren beoordeeld worden. Deze scan volgt meestal op een röntgenfoto, om beter te zien hoe een afwijking eruitziet, waar de afwijking precies zit, hoe groot deze is en of er nog meer afwijkingen zijn.
Hoe gaat dit onderzoek?
Je ligt op een tafel met een grote metalen ring van 70 cm hoog en 50 cm diep om je heen. Meestal lig je op je rug, soms op je buik. Je krijgt een contrastmiddel ingespoten en dan schuift deze ring om je heen. Je moet dan zo stil mogelijk blijven liggen. Een CT-scan duurt ongeveer tien minuten. Lees meer informatie over de CT-scan.
MRI-scan van de hersenen. Bij dit onderzoek wordt met magnetische signalen in detail bekeken hoe het hersenweefsel eruitziet. Dit is nodig omdat het hersenweefsel minder goed te zien is op een CT scan en niet goed te zien is op een PET scan.
Het wordt pas ingezet als het vastgesteld is of je longkanker hebt en dit ook naar lymfeklieren of andere organen is uitgezaaid, om te zien of er ook uitzaaiingen in de hersenen zijn.
Hoe gaat dit onderzoek?
Bij een MRI wordt gebruik gemaakt van een sterk magnetisch veld en van radiofrequentiegolven. Net als bij de CT-scan blijf je in een tunnel zo stil mogelijk liggen.
Bij een MRI is deze tunnel smaller en langer dan die van een CT-scan. Voor sommige mensen kan dat wat benauwend zijn. De MRI-scanner maakt tijdens het scannen veel lawaai; daarom krijg je oordopjes in of een hoofdtelefoon op. Een MRI-scan van de hersenen duurt langer (15-30 minuten) dan een CT-scan (5-10 minuten). Lees meer informatie over de MRI-scan.
- Echografie van de bovenbuik, waarbij met geluidsgolven organen in real-time (live) in 2D in beeld worden gebracht. Het is een makkelijke, snelle en directe manier om bijvoorbeeld de buikorganen te screenen. Omdat de geluidsgolven niet heel diep in het lichaam komen wordt het bijvoorbeeld niet gebruikt om te vervolgen of een tumor op de behandeling reageert.
PET-scan, dit is een 3D scan waarbij vaak het hele lichaam wordt afgebeeld door een licht radioactief stofje. Omdat het een heel gevoelige scan is voor het opsporen van kankercellen en dus kleine afwijkingen al zichtbaar gemaakt kunnen worden.
Als er op de CT-scan iets verdachts te zien is dan kan er een PET-scan worden gemaakt om verder te kijken of er afwijkingen zijn. De afwijkingen op de CT-scan worden vergeleken met de afwijkingen op de PET-scan. Met het resultaat van deze twee onderzoeken wordt dan besloten of nog meer onderzoek nodig is. Om de diagnose ‘longkanker’ definitief te stellen moet altijd ook nog weefsel worden onderzocht. Het KWF legt in een filmpje uit wat een PET-scan is.
Hoe gaat dit onderzoek:
Bij een PET-scan krijg je eerst een contrast vloeistof ingespoten. De contrastvloeistof is heel licht radioactief, waardoor deze stof in je lichaam te zien is tijdens het maken van de scan. Deze stof is niet schadelijk. Je krijgt er heel weinig van ingespoten. Binnen een paar dagen is de radioactieve stof helemaal uit je lichaam verdwenen.
Voordat de scan wordt gemaakt, wacht je een halfuur tot een uur. Zo kan de vloeistof zich goed door je hele lichaam verspreiden. Daarna ga je op een tafel liggen. Om je heen is een grote ring.
De laboranten die het apparaat bedienen, zijn in een andere ruimte in de buurt. Tijdens het onderzoek lig je dus alleen. De laborant kan jou zien en je kunt via de intercom met hem of haar praten. De laborant zorgt dat je goed op de tafel ligt. Dan schuift de ring over je heen. Daarbij blijf je zo stil mogelijk liggen. De camera maakt ongeveer een halfuur tot een uur opnames. Het onderzoek doet geen pijn. Alles bij elkaar duurt het onderzoek ongeveer drie uur.
Bronchoscopie
Een bronchoscopie is een onderzoek waarbij de luchtwegen van binnen worden bekeken met een dunne buigzame slang met een camera.
Voordat het onderzoek begint, wordt de keel verdoofd met een verdovingsspray om een hoestprikkel of kokhalsreflex tegen te gaan. Met de bronchoscoop kan een klein stukje weefsel worden afgenomen voor onderzoek. Hiermee kan worden bepaald of een plekje op de long longkanker is.
Endo-echografie: EUS en EBUS, waarbij een flexibele slang via de mond en de slokdarm of de luchtpijp wordt ingebracht. Met behulp van geluidsgolven worden de klieren rond de luchtpijp of slokdarm gecontroleerd. Als er sprake is van een vergrote klier, dan wordt met behulp van een dunne naald weefsel uit de klier gehaald. Dit weefsel wordt onderzocht op kwaadaardige cellen. Ook wordt onderzocht of de longkanker is uitgezaaid naar de lymfeklieren in de ruimte tussen de beide longen. Lees meer informatie over de Endo-echografie.
Weefselonderzoek (een stukje van de kanker onderzoeken)
- Weefselonderzoek (pathologisch onderzoek), hierbij wordt een stukje weefsel (biopt) dat is weggenomen door een patholoog onderzocht. Een patholoog is een arts die is gespecialiseerd in het onderzoeken van weefsels en cellen. Hierbij wordt bekeken wat voor soort longkanker het precies is. Daarnaast kan zo nodig moleculair onderzoek gedaan worden om een nog specifiekere beschrijving van de kenmerken van de kankercellen te maken, vooral op het gebied van het gedrag van de cellen.
Moleculair (DNA) onderzoek in weefsel of bloed, met moleculaire diagnostiek kan uw arts bepalen of de longtumor bepaalde mutaties bevat. Mutaties zijn veranderingen in het DNA van een cel. Bepaalde mutaties zorgen ervoor dat de tumorcellen alsmaar groeien.
Meer informatie over dit onderwerp:
–> Lees meer op onze speciale pagina over weefselonderzoek en moleculaire diagnostiek U vindt op deze pagina ook filmpjes.
Aanvullende onderzoeken
Afhankelijk van de uitslagen van bovengenoemde onderzoeken, kunnen er nog aanvullende onderzoeken plaatsvinden, zoals:
- Mediastinoscopie, een kijkoperatie achter het borstbeen waarbij stukjes van de lymfeklieren die tussen de longen zitten worden weggenomen. Dit weefsel wordt in het laboratorium onderzocht op mogelijke uitzaaiingen. Lees meer informatie over de mediastinoscopie.
- Longfunctieonderzoek, waarbij via een blaastest wordt gemeten hoeveel lucht je kunt in- en uitademen en of de zuurstof goed wordt opgenomen in het bloed.
- Longpunctie, waarbij een dunne naald van buitenaf in de long wordt gebracht om een klein stukje weefsel weg te halen. Lees meer informatie over de longpunctie
- Hartfilmpje, om te controleren op hartziekten.
- Perfusiescan, waarmee wordt onderzocht hoe het bloed door de longen stroomt en hoe de lucht zich verdeelt over de longen. Dat gebeurt door middel van het inspuiten van een licht radioactieve stof in de arm en het inademen van een kleine hoeveelheid lucht gemengd met radioactief gas. Dit gas is ongevaarlijk en reukloos.
- Skeletscintigrafie (botscan), waarbij foto’s worden gemaakt van de botten.
- Sputumonderzoek, waarbij het opgehoeste slijm wordt onderzocht.
- Thoracoscopie, een kijkoperatie in de longvliesruimte die vaak onder lokale verdoving wordt uitgevoerd.
- Pleurapunctie en pleuravochtdrainage, waarbij vocht wordt afgenomen dat zich heeft opgehoopt tussen de longvliezen (die de longen bekleden) en het borstvlies (dat de binnenkant van de borstkas bekleedt). Dit wordt gedaan door een naald tussen de ribben de longvliesruimte in te steken. Het afgenomen vocht wordt vervolgens onderzocht en op kweek gezet.
Stadium
In welk stadium is de longkanker?
Er zijn verschillende stadia bij longkanker. Het stadium geeft aan hoever de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. De arts stelt het stadium vast en onderzoekt hiervoor:
- de plaats en grootte van de tumor
- of en hoever de tumor is doorgegroeid in het weefsel eromheen
- of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren en/of organen ergens anders in het lichaam.
Er zijn vier stadia:
- Stadium 1 (a1-3 of b): Er is alleen een kleine tumor in de long (max 4 cm).
- Stadium 2a: De tumor is iets groter (max 5 cm).
- Stadium 2b: De tumor is nog iets groter (max 7 cm) en/of er kunnen kankercellen aanwezig zijn in de lymfeklieren van de long waar de tumor zit.
- Stadium 3a: De tumor is erg groot of groeit direct in andere organen en/of er zijn kankercellen in de lymfeklieren tussen de longen, aan de kant waar de tumor zit.
- Stadium 3b: Er zijn kankercellen in de lymfeklieren tussen de longen, aan de andere kant van de borstkas dan waar de tumor aanwezig is, of er zijn kankercellen in lymfklieren boven het sleutelbeen.
- Stadium 3c: De tumor is groter dan 5 cm. Ook zijn er kankercellen in lymfeklieren aan de andere kant van de borstkas dan waar de tumor aanwezig is, of in lymfklieren boven het sleutelbeen. Er zijn geen uitzaaiingen naar andere organen.
- Stadium 4a: Er zijn meerdere tumoren in de long, of er is ook een tumor in de andere long, of er is een uitzaaiing in één ander orgaan.
- Stadium 4b: Er zijn meerdere uitzaaiingen in een ander orgaan dan de long.
Niet-kleincellige longkanker groeit meestal langzamer en zaait minder snel uit dan kleincellige longkanker. De niet-kleincellige longkanker kan jaren in het lichaam zitten en geen klachten geven. Als er klachten ontstaan, kan de tumor al zijn uitgezaaid.
TNM-waarden
Om te bepalen in welk stadium de kanker zich bevindt, wordt gebruik gemaakt van de TNM-waarden:
- De T-waarden (grootte en plaats van de tumor) worden onderverdeeld in T1, T2, T3, T4.
- De N-waarden (uitzaaiingen in de klieren): N1 (aangetaste klieren in het uitstroomgebied van de long), N2 (aangetaste klieren in het gebied tussen de longen), N3 (aangetaste klieren op andere plekken in het lichaam).
- De M-waarden (uitzaaiingen in andere organen): M0 betekent dat er geen uitzaaiingen zijn in andere organen. M1 betekent dat er wel sprake is van uitzaaiingen.
Diagnose
Als de uitslagen van de onderzoeken bekend zijn, informeert de longarts je over de ziekte en de vooruitzichten daarvan.
Je krijgt dan ook te horen wat voor soort longkanker je hebt en of de kanker is uitgezaaid in het lichaam.
Als de longkanker niet is uitgezaaid, is er een behoorlijke kans op genezing.
Als de kanker wel is uitgezaaid, zijn de verwachtingen lager. Na het stellen van de diagnose zal de arts de behandelingsmogelijkheden met je bespreken.
Second opinion
Als je twijfelt aan de mening of behandeling die je eigen arts voorstelt, dan kan je een second opinion aanvragen bij een andere arts. Dit kan ook als je meer zekerheid wil hebben.
Een second opinion is een oordeel van een andere arts dan degene die u behandelt. Voor een second opinion heb je een verwijzing van je eigen behandeld arts nodig.